Toon van Hout benoemd tot erelid Boekel Sport:

‘Wij voetbalden in het bos, op kistjes met stalen neuzen en klompen’

Toon van Hout benoemd tot erelid Boekel Sport:

Door Rob Vrolijk 

17 september 2019 – Over echte Nederlandse tradities gesproken … Vrijwilligers vormen de basis én het cement van de unieke Nederlandse sportcultuur. Dé basis ook voor de vele internationale, sportieve successen van ons kikkerlandje. Zonder vrijwilligers geen Epke Zonderland, Raomi Kromowidjojo, Nederlandse leeuwinnen, Dafne Schippers, Sven Kramer en noem ze allemaal maar op. Helaas hebben verenigingen steeds meer moeite om vrijwilligers te vinden. Eén van de ‘laatste der Mohikanen’ is Toon van Hout van Boekel Sport. Van het begeleiden van jeugdteams tot het verzorgen van het eerste teams, het maaien en belijnen van de velden tot het wassen van de hesjes en oh ja, in de weekeinden is Toon ook verantwoordelijk voor de EHBO op het terrein van de vereniging. Geen wonder dat hij begin van dit jaar werd benoemd tot erelid van Boekel Sport. Mooie aanleiding voor een mooi gesprek.

Toon van Hout werd in december 1949 als jongste in een gezin van drie jongens en drie meisjes geboren in Boekel. Net als zijn twee oudere broers was Toon gek op voetballen, maar geen van drieën heeft ooit bij Boekel Sport gevoetbald: ‘Voetballen zou misschien nog wel gemogen hebben van ons vader, maar trainen was er niet bij. Kom nou, er moest gewerkt worden. Dus toen zijn we maar voor onszelf begonnen op een open plek in de bossen, vlak bij ons ouderlijk huis. We woonden in het buitengebied, richting Venhorst. Dat hebben we omgeploegd, een beetje gelijk gemaakt en ingezaaid. Twee goals er op en we hadden een voetbalveld. Later zijn we naar Koos Jansen gegaan, waar nu caravancentrum Boekel zit. Oorspronkelijk heetten we de Family Boys – omdat het inderdaad allemaal familie was -, maar toen er steeds meer anderen bij kwamen hebben we de naam veranderd in VOP; Voetbal Ons Plezier.’

 

Geen voetbalschoenen

‘Bij Boekel Sport speelden indertijd allemaal jongens uit ‘de straat’, de dorpskern van Boekel zeg maar. Wij waren er voor de voetballers uit het buitengebied. Op een gegeven moment hadden we zelfs vier elftallen en deden we mee in de competitie van RSU; Recreatie Sport Uden. Speelden we tegen clubs als Torpedo, Lankes, OKB, Schadron, De Rakt, D’n Elzen en Het Bovenste Huis. En dan had je hier in Boekel nog De Bergvogels. Die woonden tegen de Bergstraat aan. Tja, als het beestje maar een naam had hè. En het ging er ruig aan toe hè. Niet dat er per se gemeen werd gespeeld, maar op tactiek en techniek werd niet getraind. Het was rammen met die bal zo hard als het kon. Wat nou voetbalschoenen? Kistjes met stalen neuzen en klompen! En de velden die waren een ramp. Ga maar na, bij ons speelden we in de bossen en bij die andere clubs op weilanden van boeren. Daardoor is waarschijnlijk mijn knie ook kapotgegaan op m’n twintigste en ik heb daarna nooit meer kunnen voetballen. Maar het was wel verrekte skôn.’

Zijn werkzame leven in vogelvlucht

Zelf voetballen deed Toon niet meer, maar hij is er wel altijd bij betrokken gebleven: ‘Ik heb van alles gedaan. Vlaggen, teams begeleiden, het veld maaien, de belijning verzorgen. Totdat RSU en ook VOP er op gegeven moment helemaal mee stopten. Toen heb ik een tijd niets in die richting gedaan. Had het ook te druk met werken. Dat deed ik overigens al vanaf mijn veertiende. Zesenhalve dag in de week. Zo ging dat toen nog. Ik heb tien jaar bij een boer gewerkt, zes jaar bij de melkfabriek, een half jaar bij melkontvangst van de kaasfabriek, zes jaar bij de kuikenbroederij, dertien jaar op de kippenslachterij en tien jaar in de meubelmakerij. Meestal zwaar fysiek werk, maar dat was ik van thuis uit gewend. Stonden we als jonge jongens vier weken mest te laden met een riek en naderhand alles er weer van de kar te trekken en te verspreiden.’

Het begin bij Boekel Sport

‘Dat ik op een gegeven moment bij Boekel Sport betrokken raakte, kwam door mijn buurjongen. Die voetbalde er en vroeg me om een keer te komen kijken. Dat heb ik toen gedaan en zo ben ik er heel zoetjesaan ingerold. Aanvankelijk als leider van de kleinsten. Zes tot acht jaar. Dan ging ik iedere zaterdag mee naar wedstrijden. De groep bij elkaar houden en de opstelling maken. Daar had ik natuurlijk geen kaas van gegeten, maar dat deed ik gewoon. Ik heb ook wel een cursus jeugdleider gevolgd, maar goed. De enige tactische opdracht was om ze een beetje uit elkaar te laten lopen en gebruik te maken van het hele veld. Dat heb ik zes jaar gedaan. Word ik nu nog wel eens voor gevraagd. Gisteren nog, toen vroeg een van de damesteams of ik ze wilde coachen. Tja en dan sta ik naast het veld en wijs ze er op als ze foutjes maken en hoe ze bepaalde situaties in het vervolg beter kunnen oplossen. Zorgen dat ze in beweging blijven en dat ze ook in het spel meegaan als ze niet aan de bal zijn. Eerst kijken, dan pas spelen en niet andersom. Dat soort zaken, dat vind ik leuk. Ze zeggen ook wel eens tegen me: “Jij staat altijd te roepen langs de lijn.” En dan zeg ik: “als ik niks mag zeggen wanneer ik naar het voetbal sta te kijken, dan kom ik niet meer.” Ik sta ook nooit bij een grote groep; altijd afgezonderd. Vaak op één lijn met de grensjager voor buitenspel. Als ik dan in de gaten krijg dat hij in het voordeel van zijn eigen club vlagt, dan hoef ik maar één keer te roepen “Hé grens!” Dan weet hij dat hij in de gaten wordt gehouden.’
‘Na die allerkleinsten ben ik dertien jaar actief geweest als vlagger en als begeleider van het eerste damesteam. Vandaar ook dat mijn hart nog steeds ligt bij het damesvoetbal. Je hebt veel mensen die zeggen dat dames niet kunnen voetballen, maar ik vind dat je dat met andere ogen moet zien. Kijk, de heren zijn boven de twintig gewoon veel sterker dan de dames, maar de eerste jaren – zeg van zes tot elf – zijn die meiden gewoon fysiek sterker. Zet maar een goed voetballende meid bij jongens die een jaar ouder zijn, nou dan leggen die jongens het af hoor. We hebben er nu weer een van Venhorst bij gekregen, nou die kan alles met een bal. Speelt de jongens van haar leeftijd helemaal zoek. Dat vind ik prachtig om te zien. En als ze wat ouder worden zijn die meiden fysiek wellicht minder sterk, technisch en tactisch doen ze op amateurniveau absoluut niet onder voor de heren.’

Gevarieerd scala vrijwilligersactiviteiten

Door het vele fysiek zware werk en het feit dat hij jong is begonnen, komt Toon op zijn éénenzestigste thuis te zitten. Hij had nog steeds sollicitatieplicht, maar wist dat hij met z’n versleten knie nooit meer aan de bak zou komen. Dus toen de mogelijkheid zich voordeed om de sollicitatieplicht te verruilen voor twintig uur vrijwilligerswerk bij Boekel Sport in de week deed hij dat. Aanvankelijk nog met een clubje van drie, maar met het door de jaren wegvallen van de andere twee doet hij het tegenwoordig een groot deel in z’n eentje. Hij maakt ook heel wat uren meer dan die destijds verplichte twintig in de week. Dat gaat eerder naar de zestig of misschien zelfs wel meer: ‘Op maandag en vrijdag zijn we hier met een heel team vrijwilligers. Allemaal mensen die de club een warm hart toedragen. En ook het bestuur, de trainers en de andere vrijwilligers mogen niet vergeten worden. Maar in praktische zin doe ik best wel veel ja. En dat is iedere dag iets anders. Dat vind ik het mooie. De ene dag sta ik de sloot open te maken waar te veel bladeren en hout in terecht is gekomen. Dat is een afspraak die ik heb met het waterschap. Hoeven zij het niet te doen. Mogen we in de zomer schotten zetten om het water vast te houden dat we nodig hebben om de velden te beregenen. Dat laatste doe ik ook en dat betekent dat ik er in de zomer iedere nacht uit moet. Dat gaat om alle velden behalve het hoofdveld, want dat wordt automatisch beregend. In de winter moet ik er dan weer voor zorgen dat de sloot niet verstopt raakt en dat het water weg kan. Andere dagen ben ik druk met maaien. Ben ik algauw negen uur per maaibeurt mee bezig. Ook de belijning van de velden doe ik en het onderhoud van de verschillende plantsoenen. Aan het begin van het seizoen hang ik alle netten op, aan het eind haal ik ze er weer af. Tussen in verzorg ik ze. En omdat ik hier zo vaak ben, ben ik ook de contactpersoon. Voor leveringen voor de kantine bijvoorbeeld. Want de kantinebeheerder heeft overdag z’n werk. Maar ook als er ’s nachts wordt ingebroken. Dan word ik als eerste gebeld.’

EHBO en verzorger eerste team

 

‘Zaterdag ben ik de hele dag verantwoordelijk voor de EHBO op het terrein van Boekel Sport. Dan gebeurt het wel dat ik bij een incident het veld op kom lopen in m’n overal omdat ik op een ander veld bezig ben met de belijning. EHBO kan lastig zijn. Want de één begint al te krijsen als er een vinger naar hem wordt uitgestoken en de ander geeft geen krimp als hij halfdood wordt geschopt. Dat moet je wel goed inschatten en dat gaat me gelukkig goed af. Ook moet je goed uitkijken wat je de mensen adviseert als het echt iets is. Je moet mensen niet zomaar naar de eerste hulp van het ziekenhuis sturen, want dat kan hen geld kosten. Daarom stuur ik ze door de week eigenlijk altijd door naar hun eigen huisarts en in het weekend naar de huisartsenpost bij het ziekenhuis. Zondag doe ik de EHBO ook, maar slechts tot twaalf uur. Want daarna ben ik als verzorger betrokken bij het eerste elftal. Ik heb daar inmiddels iemand bij gekregen die dat in de toekomst gaat doen. Maar voorlopig blijf ik aan het eerste team verbonden. Na de wedstrijd en bij terugkomst neem ik dan nog de tijd om de hesjes in de wasmachine te gooien en ben ik altijd net op tijd voor Studio Sport thuis. Kijk ik het voetbal; alleen het voetbal. Op zaterdag ben ik altijd rond een uur of half zeven thuis en dan kijk ik naar Duits voetbal. Het geluid heel zacht en ik weet ook eigenlijk niet wie er tegen elkaar spelen. Interesseert me ook niet. Ik kijk vooral hoe er gevoetbald wordt en of er gemeen wordt gevoetbald. De overtredingen. Ik weet niet waarom, maar dat zal wel te maken hebben met mijn taak als verzorger. Je hoeft me na afloop ook niet te vragen wat de uitslag is, maar ik weet wel wat voor overtredingen er gemaakt zijn in de wedstrijd. Ik zie meestal ook heel snel of een speler wél of niet door kan. Niet alleen op televisie, maar ook bij Boekel Sport. Dat is vaak lastig bij die jonge jongens, want die willen altijd door terwijl ze dat niet moeten doen. Hadden we laatst ook weer. Een jongen die door z’n knie ging. Ik zei direct tegen de coach: “haalt hem er maar van af”. Maar die jongen wilde niet. De coach heeft het hem daarna tot drie keer toe gevraagd of het goed ging. Ja, het ging goed. Dus niet. Hij zit nu al voor de vijfde week in de lappenmand. Dat vind ik zo jammer. Dat kan zo’n jongen z’n positie in het eerste kosten als hij niet meer op z’n oude niveau komt omdat de blessure – als gevolg van zijn doorvoetballen – chronisch wordt.’

Lees ook: Acrogymduo Fenne van Dijck en Stef van der Locht op weg naar WK in Antwerpen